Posts tonen met het label Workshops voor in je team. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Workshops voor in je team. Alle posts tonen

woensdag 5 oktober 2011

Veiligheid

Een gevoel van veiligheid is basisvoorwaarde nummer één om te kunnen leren, voor iedereen. Om een veilige school te creëren denkt de ene docent of schoolleider aan ‘poortjes bij de deur', de ander aan ‘elkaar aanspreken’. Twee verschillende visies. Om het gesprek met elkaar aan te gaan over hoe je gezamenlijk een veilige school kan vormen, kan onderstaand model behulpzaam zijn. Het kan je visie aanscherpen, maar je ook laten zien waar je complementair kan zijn.
Heb je op school wat hulp nodig bij vraagstukken rondom veiligheid, dan kan je nog tot april 2012 aankloppen bij de Kwaliteitsteams Veiligheid die kosteloos advies kunnen geven.

.

dinsdag 13 september 2011

Maatregelenladder

Ken je dit? Je zegt 2 keer achter elkaar in dezelfde les tegen dezelfde leerling "nog één keer en dan verlaat je het lokaal". Je hoort jezelf dezelfde dreiging herhalen, en je voert het niet uit. Je weet meteen dat dit niet gaat werken, maar je weet even niet anders. Als dit je vaak overkomt, dus je schiet te snel in een te zware dreiging, die je ook nog eens niet waarmaakt, maak dan voor jezelf eens een maatregelenladder. Een maatregelenladder bevat dingen die je kan doen/zeggen om leerlingen weer naar het gewenste gedrag te krijgen. In kleine stapjes, zodat je een groot repertoire hebt en je niet meteen naar het uiterste hoeft te grijpen.
Hierbij zo’n ladder…als voorbeeld...elke docent heeft z’n eigen ladder die ‘m past. Idee voor in je team: ieder maakt een eigen ladder en vergelijkt die vervolgens met een aantal collega’s en/of ga eens kijken bij een collega en plaats de (letterlijke!) zinnen van die collega in een dergelijke ladder.

Dit kan ervoor zorgen dat je een minimaal aantal leerlingen uit de les hoeft te verwijderen. Laat het niet meer dan 5 per jaar zijn! Uit onderzoek blijkt dat als je vaker dan eens in de 8 weken een leerling eruit stuurt, het dan geen effect meer heeft op het gedrag van de leerlingen.

.

zondag 4 september 2011

We all want to be young


Hans Kok gaf me deze filmtip. Wouw, dank. Terwijl ik keek bedacht ik me dat dit filmpje zoveel ingangen geeft om als school echt iets te kunnen betekenen voor deze (generatie) jongeren. Zoveel scholen/docenten worstelen met de motivatie van hun leerlingen, en niet alleen met de 'knaplastige'. Dit lijkt me een prachtige film om dat gesprek met je team over motivatie aan te gaan.

.

dinsdag 8 februari 2011

zondag 16 januari 2011

Met animatie werkt ie nog beter!


Dank @Roh en Gerard de Jong

.

maandag 11 oktober 2010

Leerlingenbespreking (lekker ontspannen....of....?)

Oktober is op vrijwel alle scholen de maand van de eerste leerlingenbesprekingen.

Herkent u daarbij het volgende beeld?

Mentor: ‘Michelle is een leuke meid, maar ze kletst wel heel erg veel’
Docent 1: ‘ja inderdaad, de helft van de tijd zit ze omgekeerd met haar vriendin te praten’
Docent 2: ‘ongelooflijk, het houdt maar niet op’
Docent 3: ‘maar ze heeft het thuis ook niet gemakkelijk, met zo’n broer’
Docent 4: ‘als het niet ophoudt met dat geklets, zie ik haar geen voldoende halen’

Als alle docenten er het nodige over gezegd hebben, weten we wat we eigenlijk al wisten:
Michelle kletst heel veel en overal, en veel collega’s hebben er last van. Zo gaat het door..leerling na leerling …en dat 3 middagen achter elkaar. Ik ken ze heel goed deze besprekingen..lekker ontspannen …we leunen achterover en roepen af en toe waar we last van hebben. Heerlijk is dat: even collega’s onder elkaar….
Niemand dwingt mij ook maar één seconde na te denken over de enige vraag die Michelle (en mij) écht verder kan brengen, nml: “Wat heeft Michelle van ons nodig om zich op haar werk te kunnen focussen?” De meest wezenlijke vraag van de hele leerlingenbespreking begint met ‘hoe kunnen wij (of hoe kan ik) …….?’. Pas als we deze vraag aandurven kunnen we als docententeam beter worden, beter als docenten en pedagogen en beter in het omgaan en voorkomen van gedragsproblemen.

Om je op gang te brengen … hierbij een opbouw die richting geeft. Vraag 1 t/m 3 heeft de mentor al voorbereid, over vraag 4 t/m 6 gaat de bespreking.

(klik op het plaatje om hem uit te vergroten)

.

donderdag 7 oktober 2010

Over de streep

Documentaire van Jessica Villerius over de belevingswereld van scholieren op de middelbare school.
Voor deze film gingen vijfenzeventig leerlingen van het Amsterdamse IJburgcollege een bijzondere uitdaging aan: Challenge Day. Een grensverleggende methode uit Amerika, die onder andere wordt ingezet om pesten op scholen tegen te gaan en wederzijds respect te stimuleren.

Get Microsoft Silverlight
Of bekijk de flash versie.


Soms misschien een beetje 'over the top', maar een enorme aanrader!

.

zaterdag 25 september 2010

Later! Conferentie 13 oktober



Hoe denken jongeren over later? Huisman of carrièrevrouw? De discussie over de rol-, werk- en taakverdeling in het gezin is actueler dan ooit. Iedereen denkt te weten hoe de keuzes gemaakt moeten worden en wat goed voor jongeren is. Opleiding, ouders en werkgevers, allemaal factoren die - bewust en onbewust - deze lastige keuzes voor de huidige generatie jongeren beïnvloeden.

Op 13 oktober organiseert APS in samenwerking met NJR hierover de conferentie ‘Later!’ Per pijler (onderwijs, opvoeders, arbeidsmarkt) wordt een mix van wetenschappers, praktijktheoretici en professionals uitgenodigd, met ieder hun eigen expertise en invalshoek. Deelnemers krijgen tijdens de conferentie de kans om zowel binnen als buiten hun pijler het debat aan te gaan en hun kennis en ervaring te delen.

Ben je geïnteresseerd in het onderwerp en wil je meedenken? APS en NJR nodigen je uit erbij te zijn op 13 oktober. Klik hier voor meer informatie over de conferentie en hoe je je kunt aanmelden. Deelname is kosteloos. Er zijn al 80 deelnemers, dus wees er snel bij!

.

maandag 7 juni 2010

Hoe word ik de beste jongensdocent? (6)



Na 5 weken zijn we aangekomen aan de laatste les in de serie 'Hoe word ik de best jongensdocent?' Sla de 5 voorgaande lessen er nog maar eens op na. Les zes is echter essentieel in je repertoire als vakman/vrouw.

Les zes: stap voor stap

Een Chinees gezegde leert ons: “zelfs een mars van duizend mijl begint met een eerste stap.” Wil je meer lol hebben in jongensgedrag begin dan met een stap per dag, of een stap per week. Sta morgen eens een minuut of tien stil bij een jongen. En kijk dan gewoon vanuit stilte met een open blik naar dit unieke menselijke exemplaar. Zonder er iets mee te moeten, zonder er iets aan te willen veranderen. Wie is deze leerling? Wat leeft er? Wat speelt er? Wat doet deze leerling jou? Waar raakt hij je? Adem dan nog eens een paar keer rustig door voordat je samen verder gaat.

Een lessenserie van John, Elsbeth en Henno

.

maandag 31 mei 2010

Hoe word ik de beste jongensdocent? (5)



Les 5: Een jongen moet gezien worden

Vallen en opstaan is dus een leermethode die bij de jongen past. Een methode waar zelfvertrouwen voor nodig is en misschien zelfs een gezonde hoeveelheid overmoed.
Wat een jongen hier in ieder geval voor nodig heeft is bevestiging. Op vroege, maar ook op latere leeftijd. Jongens hebben vaak meer bevestiging nodig dan je denkt en bovendien meer dan ze zelf zouden willen. En dat is direct een lastige paradox. Aan de ene kant hebben jongens sterke behoefte aan een ijkpunt: een persoon die vanuit een volwassen perspectief liefdevol eerlijk en oprecht aangeeft wat goed is, wat beter moet, wat ronduit slecht is, wat uitmuntend is.
En aan de andere kant wil als jongen gezien worden in wie je bent. In de kwaliteiten die in jou als persoon besloten liggen en waarvan je wilt horen dat die toch ruimschoots opwegen tegen je beperkingen of onhebbelijkheden.
Juist omdat het voor jongens zo moeilijk is om met deze verwarring om te gaan, is het belangrijk dat er mensen zijn die oprecht in ze geloven. Voor een jongen moeten er mensen zijn die hem zien zitten, die hem zien staan. Die blij zijn dat juist hij in hun klas zit en bij wie hij kan voelen dat hij helemaal goed is zoals hij is. Ook als hij niet zo goed stil kan zitten, soms brutaal is en grenzen zoekt.
Vraag eens aan je collega’s om hun favoriete jongensleerling in hun hoofd te nemen en zijn kwaliteiten. Vraag ze daarna of de jongen weet dat zij zo positief over hem denken.

Volgende week de laatste les. Les 6:stap voor stap

Een lessenserie van John, Elsbeth en Henno

.

maandag 24 mei 2010

Hoe word ik de beste jongensdocent? (4)



Les 4: Reflecteren gaat niet vanzelf

Kijken en doen gaat jongens makkelijk af. Jongens leren door te ondernemen en door te ontdekken; met vallen en met opstaan. Maar leren gaat nog sneller als je ook reflecteert. Wat ging er in goed en waarom ging dat goed? Wat dacht ik toen ik die fout maakte en wat had ik anders moeten doen? Voor meisjes is ‘iets voelen’ en er over willen praten veel vanzelfsprekender dan voor jongens. Bij jongens komt de reflectie vaak pas later, of niet. Met het gevaar dat ze hardleers lijken.
Help je de jongens niet met reflecteren, dan is de kans groot dat ze weinig leren van fouten, of van zaken die goed gingen. Voor jou als docent ligt hier wat jongens betreft dus een schone taak. Help ze nadenken over wat mis gaat en over wat goed gaat. Bouw momenten in waarop ze met elkaar oefeningen of handelingen bespreken, bijvoorbeeld met behulp van feedbackformulieren. Zoek voor jou en voor ‘je jongens’ een geschikte methode. Confronteer op momenten dat het nodig is en durf terug te komen op zaken die je niet bevielen.

Ons schoolsysteem speelt zich nog steeds voor een belangrijk deel af rond het thema 'hoeveel fouten heb je gemaakt'? Op school, maar ook in onze samenleving, gaat veel aandacht, tijd en energie zitten in 'wat fout gaat'. Maar je helpt de jongen juist door niet alleen op fouten te concentreren. Bouw ook positieve stimuli in, spreek de jongen aan op zijn kwaliteiten; geef complimentjes, goedkeuring, privileges of tastbare beloningen. Als je er alert bent op bent dat je ‘negatieve’ feedback afwisselt met benadrukken en bespreken van goed gedrag dan zou je zomaar snel effect kunnen zien.

Volgende week les 5: Een jongen moet gezien worden

Een lessenserie van John, Elsbeth en Henno

.

maandag 10 mei 2010

Hoe word ik de beste jongensdocent? (3)



Les 3: Ze zijn levendig en niet alleen maar druk

Jongens zijn levendig. Bewegelijk. Energiek. Ze hebben, meer dan meisjes, beweging nodig om zich te ontwikkelen. Ze moeten iets met dat lijf van ze. Wist je dat het biologisch gezien onmogelijk is voor een jongen van 13 om twee uur stil te zitten?

Als je de levendigheid negatief labelt in ‘druk zijn’ en je dit gedrag continu alleen maar probeert in te dammen, kan de positieve energie die ze hebben voor jongens omslaan in het tegenovergestelde: een uitgebluste houding. In afhaken, afwezigheid. In de les is het dus voor jou als docent een behoorlijke klus om te balanceren tussen een te levendige of chaotische groep en een stel ongeconcentreerde lamlendelingen.

Wellicht kan het je helpen om je te realiseren dat de vitaliteit van de jongen nodig is en helpt het om hier met respect naar te kijken. Maar doe dit niet zonder respect voor je eigen grenzen. Grenzen aangeven blijft hier belangrijk. Misschien vaker en langer dan je lief is. Maar wederzijds respect moet je een heel eind brengen. En hier en daar wat chaos in de les, kan wellicht ook tot hele mooie resultaten leiden.

Volgende week les 4: Reflecteren gaat niet vanzelf

Een lessenserie van John, Elsbeth en Henno

.

maandag 3 mei 2010

Hoe word ik de beste jongensdocent? (2)



Les 2: Grenzen opzoeken is gezond. Grenzen geven een noodzaak

Je zou maar een klas hebben vol volgzame leerlingen. Nooit een grote mond, geen onverwacht gedrag. Muziek in je oren, of dodelijk saai? In ieder geval niet realistisch. Pubers, en vooral jongens, hebben het nodig om grenzen te zoeken. Dat is één van hun manieren van leren en verder te komen. Je neerleggen bij grenzen zou stilstand betekenen.

Krijg je een brutale opmerking naar je hoofd, bedenk dan dat dit een poging is tot groter groeien. Het zegt niets over jou als docent, maar het zegt iets over de jongen die zoekende is. Een zoektocht naar grenzen, waarmee jij hem kunt helpen. De grote mond vraagt dus om een correctie, een grens. Die je daarna, wellicht met een glimlach in gedachte, ferm en duidelijk kunt geven.

Volgende week les 3: Ze zijn levendig en niet alleen maar druk

Een lessenserie van John, Elsbeth en Henno

.

maandag 26 april 2010

Hoe word ik de beste jongensdocent? (1)



Vraag aan een willekeurige honderd docenten hun meest lastige leerling in hun hoofd te nemen. Onze ervaring leert dat dan minstens 95 van de docenten aan een jongen denkt. Jongens en het onderwijs. Het lijkt tegenwoordig een steeds lastigere combinatie. Waar het aan ligt? Zijn de jongens moeilijker geworden? Kunnen we moeilijker met ze omgaan? In dit artikel geven we géén analyse van het hoe en waarom van jongensgedrag. Dat jongens blijkbaar vaker als lastig worden ervaren is een feit. In dit artikel gaan we op zoek naar hoe we terug kunnen keren naar lol hebben in jongensgedrag. Hoe kun jij als docent weer genieten van de ettertjes uit je klas? Hoe zorg je ervoor dat je glimlacht om hun onbeholpen gedrag en onhandigheden. Hoe word jij de beste jongensdocent?


Les 1: Een jongen wordt nooit een meisje
Meisjes hebben een paar eigenschappen die in ons schoolsysteem behoorlijk handig zijn. Ze kunnen relatief goed stil zitten. Ze kunnen al op redelijk jonge leeftijd reflecteren op hun eigen gedrag en ze zijn verbaal handig. Dat komt ons als docenten best goed uit. Jongens daarentegen zijn op deze drie vlakken net iets onhandiger. Daar kunnen ze niets aan doen. Dat heeft de natuur zo geregeld. En dat is voor hun zelf net zo lastig als voor de docent die met ze moet werken. Je zou bijvoorbeeld maar langer dan een half uur moeten stilzitten terwijl er net een testosteronboost door je lijf jaagt. Ga d’r maar aan staan.
Accepteren dat de jongens in de klas zich dus anders gedragen dan de meisjes is een start van een betere jongensdocent zijn. Laten we van de jongens geen meisjes proberen te maken. Dat scheelt een heleboel strijd en evenzoveel energie.

(Volgende week les 2: Grenzen opzoeken is gezond. Grenzen geven een noodzaak

Een lessenserie van: John, Elsbeth en Henno

.

vrijdag 16 april 2010

Straatcultuur

Jongeren, die in de (pré)puberteit voornamelijk opgroeien en socialiseren op straat, hebben een stuk minder kans om succesvol te participeren in onze mainstream maatschappij. Ze leren van alles op straat, maar dat zijn veelal geen zaken waar je later een baan mee krijgt of waarmee je straks een winstgevende (legale) zaak opzet. Docenten kunnen het verschil maken en hen in deze periode weer terugbrengen of terugverleiden, de burgercultuur in.
We hebben nogal snel de neiging om straatcultuur te dichten aan een bepaalde cultuur: ‘het komt door de Marokkaanse cultuur, daar leven ze vrijwel altijd op straat’. Naast dat dit niet waar blijkt, brengt het ook weinig oplossingen. Om de eerste stap te zetten naar een aanpak is het belangrijk om gedrag goed te duiden. Onderstaande dia’s kunnen jullie helpen. Bespreek op de volgende leerling-bespreking eens die leerling waarvan je denkt dat de straat weleens meer invloed op hem/haar heeft dan de school.

.

donderdag 4 maart 2010

De vulkaan en de gifkikker

Je kan 2 soorten agressie onderscheiden.
1. Frustratieagressie
Een leerling gebruikt verbaal geweld als direct en veelal impulsief gevolg op een voor hem frustrerende gebeurtenis: hij wordt gepest, hij heeft net een onvoldoende gekregen of heeft thuis iets naars meegemaakt enz.

2. Instrumentele agressie
Een leerling gebruikt kwaadheid, schelden, pesten, dreiging of andere vormen van geweld opzettelijk, meestal om een bepaald doel of effect te bereiken. De leerling wil dan de macht overnemen of de leerkracht (of anderen) bewust bang maken, zodat hij gaat toegeven, bv: een hoger cijfer of dat hij er toch niet wordt verwijderd.

Hieronder een aantal filmpjes en opdrachten om dit te verhelderen. En om te onderzoeken welk gedrag effectief is bij welk type agressie. Bedenk bij het kijken naar de eerste 2 filmpjes dat de docent aan het begin het gesprek tussen de meiden onderling NIET hoort.


  • Op welk moment zou jij ingegrepen hebben en met welke reactie?
  • Op welk effect reken je bij de leerling?

Kijk nu naar onderstaand filmpje. Stop precies bij 1.01 seconden

  • Wat zou een de-escalerende reactie van de leerkracht kunnen zijn?



Bekijk nu het hele bovenstaande filmpje:

  • Hoe de-escaleert de leerkracht verder?
  • Wat zie je als effect op de leerlingen?

In de klas komt het nog al eens voor dat leerlingen aanvankelijk gefrustreerd zijn (over een onvoldoende bv). Als je dan begrip toont, en probeert te achterhalen wat de aanleiding is, is de kans groter de leerling ‘bekoelt’. Dit doe je vooral door goede vragen te stellen, dat de-escaleert. Je op- of aanmerkingen kunnen ook tot escalatie leiden: er komt nog meer agressie omhoog. Je gooit dan olie-op-het-vuur, omdat je bv de leerling te brutaal vindt. Sommige leerlingen proberen dan de macht over te nemen: ze worden opzettelijk verbaal agressief. Dan wordt het instrumentele agressie. Op school komt dat nog al eens voor bij leerkrachten met veel ordeproblemen.
Daarover gaat het volgende filmpje. Bekijk ‘m maar STOP na 26 seconden. Wat zou jij nu zeggen als reactie op de leerling? Wat zou het effect van de leerling kunnen zijn op jouw reactie?



Bekijk het filmpje nog een keer, nu helemaal. Wat zie je gebeuren als reactie op de leerkracht? Wie is ten slotte de baas? Hoe zie je dat?

Bekijk het volgende filmpje. Let goed op de reactie van de leerkracht na de eerste halve minuut.

  • Vergelijk deze reactie van de leerkracht met die van jou na filmpje 1.
  • Wat zijn overeenkomsten en verschillen?
  • Wat leer je over je eigen gedragsgewoontes bij agressief gedrag van leerlingen?



Met frustratieagressie ga je dus anders om dan met instrumentele agressie.

met dank aan Johan Hamstra

.

vrijdag 9 oktober 2009

Door de bomen het bos
















Over grenzen en regels in het onderwijs,


Niets nieuws...Het is belangrijk dat grenzen duidelijk zijn. En dan kan het gaan om collectieve grenzen van een school, grenzen binnen een gezin, of zelfs persoonlijke grenzen. Ze werken pas als ze duidelijk zijn. Dat lijkt makkelijker bij persoonlijke grenzen dan bij collectieve grenzen. Want een persoonlijke grens hoeft maar duidelijk te zijn bij 1 persoon (alhoewel het wel heel makkelijk zou zijn als deze begrepen zouden worden door de omstanders). Maar zelfs persoonlijke grenzen zijn niet altijd duidelijk. Wie kent het niet? Wie heeft het niet meegemaakt? Dat je iets aan het doen bent wat eigenlijk niet bij je past. Of dat je een gesprek voert dat eigenlijk te ver voor je gaat? Hoe vaak per dag ga jij eigenlijk over je persoonlijke grens? Ik vind het in ieder geval knaplastig om altijd te handelen naar mijn gevoel, naar mijn eigen grens.
En eigen grenzen aangeven is iets wat bij professionals in het onderwijs wordt gezien als onderdeel van hun vak. Als iets “wat er gewoon bijhoort”. Maar het is natuurlijk meer dan dat. Het is onderdeel van het leven. En misschien wel het moeilijkste onderdeel.

Persoonlijke en collectieve grenzen. Ze moeten niet alleen duidelijk zijn, ze moeten ook leven. Leven betekent dat iedereen ze kent en begrijpt waar ze toe dienen.
Als persoonlijke grenzen al lastig zijn, dan is het niet verbazingwekkend dat het bij collectieve grenzen ook nog wel eens mis gaat. Op scholen bijvoorbeeld. Collectieve grenzen leven lang niet altijd op scholen. Hoeveel protocollen liggen er op scholen niet onder een laag stof in de kast, zonder dat de professionals weten van het bestaan? Hoe vaak wordt er niet oeverloos gediscussieerd over wel of geen petjes in de klas?
Bovendien kan in dit soort gevallen je persoonlijke grens ook nog eens in strijd zijn met de collectieve.
Op zo’n moment moeten grenzen bijgesteld worden, dan wel je persoonlijk, dan wel de gezamenlijk. Zodat ze weer gaan leven voor jezelf als docent.
En bijstellen kan alleen als je het er met elkaar over hebt. Als de grenzen voor iedereen op zijn minst duidelijk zijn, maar ook acceptabel en werkbaar. En.....als je doorpakt op de gemaakte afspraken. Want dan pas gaan de grenzen werken en leven bij de leerlingen!

Er zijn veel regels. Proberen we in deze tijd eigenlijk niet te veel te vangen in regels?
De laatste trend in het onderwijs is het protocol voor kinderen met gescheiden ouders. Zo krijgen de scholen een protocol in de kast over ‘hoe om te gaan met kinderen waarvan de ouders gaan scheiden’.
Natuurlijk gaat het uiteindelijk om het welbevinden van de leerling. Maar het gevaar dreigt het protocol een papieren tijger wordt en dat de leerling er helemaal niets van voelt.

De Franse filosoof Michel de Montaigne ergerde zich vierhonderd jaar geleden al aan de overvloed van zeer gedetailleerde leefregels en wetten. Hij wist toen al dat het leven zich niet in regels liet vatten. Hij bedacht dat er eigenlijk maar een paar regels nodig zijn:
Regels die niet onderhandelbaar zijn:

1. RESPECT
Ik accepteer anderen zoals ze zijn.
2. NIET OVER DE STREEP
Ik maak als dat nodig is anderen duidelijk waar ik de streep trek en ik respecteer de grenzen die anderen stellen.
3. ZONDER GEWELD
Ik los mijn onenigheden en ruzies op zonder geweld te gebruiken en vraag zo nodig iemand om geweldloos te bemiddelen.
4. AANSPREEKBAAR
Ik ben aanspreekbaar op mijn gedrag: ik accepteer dat anderen me erop wijzen dat ik over de streep ga en ik probeer mijn gedrag dan te herstellen.

Deze 4 simpel lijkende regels gaan allemaal over contact met de ander. Maar ze kunnen alleen werken als je je eigen grenzen aanvoelt, accepteert en aangeeft. Dus dat is een voorwaarde.

De 4 regels van Motaigne vormen de grondwet van sociale veiligheid. Veel van wat nu in protocollen en andere regels beschreven staat, kun je terugvoeren op de vragen:
• Was het naar de ander toe respectvol?
• Was het voor de ander ‘over de streep’ en hoe werd je dat duidelijk gemaakt?
• Was de ‘oplossing’ voor de ruzie ‘geweldloos’ en heeft de ander dat ook zo ervaren?
• Was je aanspreekbaar op je gedrag en waaruit bleek dat?

Om regels en grenzen duidelijk en levendig te maken en houden is het belangrijk om ze te bespreken en af en toe eens opnieuw te bekijken.

Henno Oldenbeuving


Opdrachten voor in de school
1. Vergelijk je school- of je klassenregels met de vier regels hierboven.
2. Welke regels vormen bij jou de ‘grondwet’ en welke zijn misschien overbodig gedetailleerd?
3. Probeer samen met je leerlingen enkele grondregels af te spreken: die gelden altijd, daarover discussiëren we niet.
4. Breng in gesprekken over gedrag die regels altijd ter sprake en laat de leerling het eigen gedrag daaraan toetsen.

.

maandag 28 september 2009

IK-boodschappen en JIJ-bakken

We gaan weer verder met Thomas Gordon, aansluitend op de post van twee weken geleden. De 2e pilaar van zijn aanpak gaat over duidelijk communiceren: een effectieve opvoeder (ouder of docent) is assertief! Assertiviteit houdt in: weten wat je wilt, wat je waardevol vindt en waar je behoefte aan hebt. Om dit kenbaar te maken gebruik je ik-boodschappen. Een ik-boodschap is duidelijk, begrijpelijk en ter zake. Er zijn 5 verschillende ik-boodschappen:

  1. in een verklarende ik-boodschap geef je jouw mening, gevoelens, gedachten of waarden weer: “ik wil graag dat je deze opdracht zelfstandig uitvoert”
  2. in preventieve ik-boodschappen geef je je behoeften weer zodat de anderen weten waar ze rekening mee moeten houden: “ik wil dat je deze opdracht voor 2 uur af hebt, want daarna heb ik een vergadering en dan kan ik je niet meer helpen”
  3. positieve ik-boodschappen maken relaties hechter en warmer: “ik vind het fijn dat je op tijd bent”
  4. in antwoordgevende ik-boodschappen geef je een verklaring waarom je ‘ja’ of ‘nee’ zegt: “nee dat kan nu niet, ik moet nog proefwerken nakijken”
  5. confronterende ik-boodschappen vertel je de ander waarom zijn gedrag niet aanvaardbaar is: ”als jullie zo hard praten, kan ik Deniese niet helpen met haar huiswerk”

Nu even wat ‘jij-bakken’. Op school ‘jij-bakken’ we veel. Luister eens als je collega’s met leerlingen hoort praten, en luister eens naar jezelf de komende dagen …en let op de eerste reactie van de leerlingen. Hieronder enkele voorbeelden. Ga eens na wat de leerling ervaart, voelt of denkt en, als je wilt oefenen, zet ‘m om in een geschikte ik-boodschap:

  • “Je zorgt er maar voor dat je om 4 uur hier bent”
  • “Je hebt het mis”
  • “Kun je dat niet zelf doen?”
  • “Iedereen de deur uit. Ik moet ook pauze houden”
  • "Jullie moeten rustig zijn, straks komt de afdelingsleider"
  • “Jullie moeten meehelpen met opruimen. Denk je dat ik het zo leuk vind om elke keer jullie troep te moeten opruimen?”

.

woensdag 16 september 2009

Wie heeft er hier een probleem?

Thomas Gordon ontwikkelde een methode om effectiever met kinderen te communiceren en zo conflicten te voorkomen en/of op te lossen. Eén onderdeel van zijn methode geeft inzicht hoe naar een probleem te kijken en hoe te handelen. Eigenlijk is het heel eenvoudig. Als er zich een probleem voordoet, bedenk je je als eerste wie er een probleem heeft. Er zijn maar 2 mogelijkheden in de klas: óf de leerling heeft een probleem óf jij hebt een probleem.
Hier enkele voorbeelden: wie heeft er hier een probleem???

  1. Twee leerlingen uit jouw klas hebben ruzie.
  2. Een leerling heeft bij de helft van de lessen zijn boeken niet bij zich.
  3. Je hebt een leerling waar je vreselijk veel moeite mee hebt, je bent blij als hij er een dagje niet is.
  4. Een leerling wil naar huis tijdens een proefwerk, zij zegt zich niet lekker te voelen.
  5. Je irriteert je aan een ouder die steeds maar achter z’n zoon blijft staan, terwijl die jongen steeds over grenzen gaat bij jou en je collega’s.
  6. Een mentorleerling van jou heeft een groot probleem met een collega van jou, hij dreigt daardoor van school te worden gestuurd.
  7. Een ouder van een leerling vindt dat jij te weinig begeleiding biedt.

Als je weet wie er een probleem heeft weet je ook wat je als docent te doen staat.

In het boek “Bewust omgaan met kinderen” staan vele voorbeelden van interventies die hierboven beschreven staan.

.

maandag 7 september 2009

Groepsfases

Je begint vrijwel elk jaar weer met nieuwe groepen leerlingen, als mentor en als docent. Groepsprocessen verlopen vrijwel altijd volgens een vast stramien. Bruce Tuckman beschreef de 5 stadia, daarna zijn ze door velen uitgeschreven voor de schoolse situatie. Je hebt als docent veel invloed op de klas zodat ze de verschillende fases goed doorlopen, en daardoor een grotere kans op een ‘goed werkbare klas’. Dit voorkomt in een later stadium veel problemen met de klas en individuele leerlingen. Neem een klas voor ogen:

  • In welke fase bevindt zich deze klas?
  • Wat is de kracht/kwaliteit van de groep? Welke problemen signaleer je?
  • Wat betekent dat voor jouw begeleiding?

Bevraag collega’s welke activiteiten zij doen binnen een bepaalde groepsfase die de klas helpt om beter te functioneren?

.