dinsdag 7 september 2010

Opvoeden knaplastig

.

maandag 6 september 2010

Groepsvorming 3: Storming (presenteren)

Tijdens je eerste paar lessen zijn er vaak nog niet zoveel leerlingen die je echt lastig vindt. Er wordt nog veel de-kat-uit-de-boom gekeken…als je als leraar érgens invloed hebt om gedragsproblemen láter te voorkomen dan is het wel in de eerste weken. Daarom in een 5-luik de 5 fases van groepsvorming en hoe je tot een positief klimaat kan komen. We hebben er nu 2 gehad: de forming (oriëntatie), met meteen er achteraan de norming (normeren). Nu is de klas klaar om groepjes te formeren (wie hoort bij wie?) en de onvermijdelijke rangorde te bepalen. Jij als leraar kan ze helpen om de grond waarop ze dat doen goed onderbouwd is, nml dat ze goed weten wie de ander is en wat ze aan elkaar hebben. Hieronder weer een dia uit het boek Handboek Positieve Groepsvorming van Maya Bakker en Ivo Myland.

.

donderdag 2 september 2010

Selffulfilling prophecy

Vorm je een beeld van de kinderen hieronder … in welke 2 groepen zou je ze indelen?Grote kans dat je de namen Kimberley, Wesley, Kevin en Destiny associeert met een lagere sociale klasse (‘dom’) en Olivier, Sophie, Maxim en Alexander met slim en sociaal. Jij bent niet de enige. De Duitse pedagoge Astrid Kaiser ontdekte dat dit bij de meeste docenten zo werkt. Het vervelende van dit mechanisme is dat je als docent de eerste groep ook onbewust minder aandacht geeft. En dat de leerlingen in de gaten krijgen dat ze voor ‘dom’ wordt aangezien en zich vervolgens ook dom gaan gedragen.
Dat blijkt wel uit het volgende Indiase verhaal: een groep kinderen van 11-12 jaar gingen puzzels oplossen. De kinderen wisten van elkaar niet uit welke kaste ze kwamen. De kinderen uit verschillende kasten scoorden gelijk. Nadat de kinderen elkaar hadden verteld waar ze vandaan kwamen en wat hun kaste was, deden ze weer puzzels. De kinderen uit de lage kasten scoorden prompt een stuk slechter…
Leerlingen hebben dus de neiging zich stereotiep te gedragen…dus als jij denkt dat een leerling lastig is, hij waarschijnlijk ook lastig wordt..…..

Met dank aan Suzanne die de Pers van 20 augustus goed las

.

maandag 30 augustus 2010

Groepsvorming 2: Norming (normeren)

Direct na de eerste fase van forming (oriëntatie) komt de ‘norming’ (normeren). Als je aan deze fase geen aandacht besteedt heb je grote kans dat je groep direct na fase 1 in fase 3 ‘storming’ (presenteren) terechtkomt. Dat betekent dat leerlingen zonder enige begeleiding, uitgangspunten en regels zelf de rangorde vormen… van baasjes, meelopers tot aan de pispalen.
Dit is je kans om de omgang met elkaar te bepalen. Hieronder weer een dia uit de reeks van 5 uit het boek Handboek Positieve Groepsvorming van Maya Bakker en Ivo Myland.

.

zondag 29 augustus 2010

'The Nothingbox'

Verschil tussen mannen en vrouwen. Moeten we hier wat mee in het onderwijs?

.

donderdag 26 augustus 2010

Groepsvorming 1: Forming (oriëntatie)

De zomervakantie is (voor een deel van het land) weer voorbij…nieuwe klassen worden gevormd...een gouden moment om goede groepen te creëren. Goede groepen zorgen straks voor een stuk minder lastige leerlingen. Op de post van vorig jaar zijn we ingegaan op de 5 fases: forming, norming, storming, performing en termination.
Maya Bakker legt op Leraar24 de fases van groepsvorming uit en welke acties van jou als docent of mentor daarin belangrijk zijn.Wil je het filmpje zien? Klik hier.

Voor diegene die veel meer over achtergronden van groepsvorming, en handvaten hoe die positief te beïnvloeden, willen weten: lees het Handboek Positieve Groepsvorming van haar en Ivo Mijland. Uit dit boek geven we jullie de komende weken, in een serie van 5, informatie over elke fase en een bijbehorende oefening die je kan doen om het groepsproces te bevorderen.

.

woensdag 25 augustus 2010

arme Papa en Mama



bron: Volkskrant 25 augustus 2010

.

maandag 23 augustus 2010

verschil God en docent

Dit wordt een beetje een zure column aan het begin van het schooljaar..maar wel eentje met een glimlach aan het eind. Aanleiding is de vakantievraag over de mogelijke oorzaak van het lastige gedrag van je aller-lastigste kind van het afgelopen schooljaar. Niet veel lezers hadden zin om in hun vakantie met deze vraag bezig te zijn. Dit lijkt me een goed teken. Diegene die er wel over nagedacht hebben (9 in totaal) antwoordden ‘door de gezinssituatie’ of ‘door het kind zelf’. Dit wijkt niet veel af van een veel groter Amerikaans onderzoek van Ysseldijke, Algozinne en Thurlow (2000), waaruit blijkt dat leraren de oorzaak van gedragsproblemen in de klas voor 81% toeschrijven aan de gezinsomstandigheden, voor 14% aan de kinderen zelf, voor 4% aan de school en slechts voor 1% aan hun eigen functioneren en de eigen deskundigheid.
Even nog los van ‘de waarheid’ (wat die ook moge wezen) werkt deze manier van kijken van ons docenten niet echt mee: als je het probleem buiten jezelf (of de school) legt kan je veel moeilijker deel uitmaken van de oplossing…
Ik kan me nog een leerling in mijn klas herinneren die al alle psychologen van de stad had afgelopen en ik me daardoor gevrijwaard voelde van inspanningen om het bij mij wél te laten lukken. Ik had wel mooie verhalen overigens in de docentenkamer, thuis en op feestjes. Leuk, maar nu schaam ik me ervoor…ik hoop dat het goed met haar gaat.
Dus we denken dat dat lastige gedrag door van alles komt maar niet door onszelf…keep dreaming!…uit een ander (Oostenrijks) onderzoek van Krumm & Weiss blijkt dat 1/3 van het lastige gedrag van leerlingen wordt uitgelokt door de docent: verkeerde humor, sarcasme, onterechte beoordelingen, oneerlijke behandeling, vooroordelen, je niet aan afspraken houden ed. We kennen dit gedrag van docenten wel, maar dan vooral bij anderen.
Ik wens ons veel spiegels het komende schooljaar. En denk dan meteen aan de volgende Oostenrijkse vraag (wellicht ook geldig in Nederland):Antwoord: ‘Gott weiß alles, der Lehrer weiß alles besser'

.

maandag 19 juli 2010

'Verveling is een bron voor creativiteit en zelfstandigheid'


Radio 1
7 juli 2010


De vakanties staan voor de deur of zijn net begonnen. Met ontwikkelingspsycholoog Steven Pont blikken we vooruit op die lange vakantie en wat dat met kinderen doet. Ze gaan zich vervelen. Maar wat blijkt: vervelen is het begin van alle creativiteit. In de rubriek 'Achter de voordeur' gaat het over de zin van verveling.
Verder heeft hij het over de combinatie jongens en hedendaags onderwijs.

Luister het interview hier

.

woensdag 30 juni 2010

Straatcultuur (2)

Jongeren, die voornamelijk in de straatcultuur opgroeien houden er vaak andere codes en mores op na, dan jongeren, die opgegroeid zijn in de burgercultuur.
Frank van Strijen heeft daar verhelderend en indringend over geschreven in zijn boek 'Van de Straat, De straatcultuur van de jongeren ontrafeld'
Dat gedrag wordt ook prachtig in beeld gebracht door de film Entre les Murs (zie post maandag 12 jan 2009)
Het boek geeft je ook goede handreikingen voor leerkrachten, hoewel het niet specifiek voor hen geschreven is.
Hieronder bewerken we een aantal tips van Frank van Strijen voor de klasse situatie.dank aan Johan

.

woensdag 9 juni 2010

'Mijn' autisme (Nathan Vogelzang)


Kleine handleiding voor docenten

Dini van Donselaar werkte samen met de Ambelt in Zwolle (www.ambelt.nl) aan het ontwikkelen van een betekenisvolle leeromgeving voor de afdeling jongeren Praktijkgericht onderwijs. Doel was jongeren meer verantwoordelijk te maken voor hun eigen leren en het onderwijs zodanig in te richten dat talenten meer zichtbaar worden.

Nathan Vogelzang schreef binnen het thema Wie ben ik? zijn levensverhaal. Het is een humoristisch boekje geworden met tips voor docenten. Het laat mooi zien dat jongeren veel te melden hebben wanneer het gaat om het verwoorden van hun onderwijsbehoefte.

Bestel hem hier

.

dinsdag 8 juni 2010

Sir Ken Robinson: Bring on the learning revolution!

Sir Ken Robinson is terug op TED met een inspirerend (vervolg) verhaal!



Kijk ook zijn inspirerende verhaal terug dat gepost is op 23 januari 2009 Do schools kill creativity?

.

maandag 7 juni 2010

Hoe word ik de beste jongensdocent? (6)



Na 5 weken zijn we aangekomen aan de laatste les in de serie 'Hoe word ik de best jongensdocent?' Sla de 5 voorgaande lessen er nog maar eens op na. Les zes is echter essentieel in je repertoire als vakman/vrouw.

Les zes: stap voor stap

Een Chinees gezegde leert ons: “zelfs een mars van duizend mijl begint met een eerste stap.” Wil je meer lol hebben in jongensgedrag begin dan met een stap per dag, of een stap per week. Sta morgen eens een minuut of tien stil bij een jongen. En kijk dan gewoon vanuit stilte met een open blik naar dit unieke menselijke exemplaar. Zonder er iets mee te moeten, zonder er iets aan te willen veranderen. Wie is deze leerling? Wat leeft er? Wat speelt er? Wat doet deze leerling jou? Waar raakt hij je? Adem dan nog eens een paar keer rustig door voordat je samen verder gaat.

Een lessenserie van John, Elsbeth en Henno

.

maandag 31 mei 2010

Hoe word ik de beste jongensdocent? (5)



Les 5: Een jongen moet gezien worden

Vallen en opstaan is dus een leermethode die bij de jongen past. Een methode waar zelfvertrouwen voor nodig is en misschien zelfs een gezonde hoeveelheid overmoed.
Wat een jongen hier in ieder geval voor nodig heeft is bevestiging. Op vroege, maar ook op latere leeftijd. Jongens hebben vaak meer bevestiging nodig dan je denkt en bovendien meer dan ze zelf zouden willen. En dat is direct een lastige paradox. Aan de ene kant hebben jongens sterke behoefte aan een ijkpunt: een persoon die vanuit een volwassen perspectief liefdevol eerlijk en oprecht aangeeft wat goed is, wat beter moet, wat ronduit slecht is, wat uitmuntend is.
En aan de andere kant wil als jongen gezien worden in wie je bent. In de kwaliteiten die in jou als persoon besloten liggen en waarvan je wilt horen dat die toch ruimschoots opwegen tegen je beperkingen of onhebbelijkheden.
Juist omdat het voor jongens zo moeilijk is om met deze verwarring om te gaan, is het belangrijk dat er mensen zijn die oprecht in ze geloven. Voor een jongen moeten er mensen zijn die hem zien zitten, die hem zien staan. Die blij zijn dat juist hij in hun klas zit en bij wie hij kan voelen dat hij helemaal goed is zoals hij is. Ook als hij niet zo goed stil kan zitten, soms brutaal is en grenzen zoekt.
Vraag eens aan je collega’s om hun favoriete jongensleerling in hun hoofd te nemen en zijn kwaliteiten. Vraag ze daarna of de jongen weet dat zij zo positief over hem denken.

Volgende week de laatste les. Les 6:stap voor stap

Een lessenserie van John, Elsbeth en Henno

.

donderdag 27 mei 2010

(Hoog)begaafdheid

Een vooroordeel of een feit?
Het is een vooroordeel, maar wel met een kern van waarheid: wanneer (hoog)begaafde kinderen niet voldoende uitgedaagd worden, zijn ze niet gemotiveerd om aan het werk te gaan. Een leerling die al lang het hele verhaal kent (en er misschien nog wel meer van weet dan de docent....) zal niet luisteren naar het verhaal en gaat naar buiten kijken, vervelend doen, kortom lastig gedrag vertonen. Vermoed je dan een (hoog)begaafde leerling?
Meer feiten en fabels: doe het vooroordelenspel over (hoog)begaafdheid.
Wat is (hoog)begaafdheid eigenlijk? (Hoog)begaafden hebben een goed verstand maar vaak ook een speciale manier van denken. Ze denken in grotere sprongen dan andere leerlingen. Ze zijn creatiever in het bedenken van oplossingen en ze tonen een groter doorzettingsvermogen. Professor F. Mönks van de Universiteit Nijmegen heeft het weergegeven in het model hiernaast. De cirkels hebben te maken met je persoonlijke eigenschappen. De punten van de driehoek met de invloed van de omgeving.
Suzanne Sjoers specialist in werken met (hoog)begaafde leerlingen: ‘je bent niet (hoog)begaafd, dat moet je worden. Deze leerlingen zijn geen probleem, maar kunnen dat wel worden. School speelt een belangrijke rol bij de motivatie om goede prestaties neer te zetten. Je kan ze motiveren door uitdagende, creatieve en open opdrachten’. Daarom is de bol ‘motivatie’ hier groter getekend dan in het oorspronkelijk model van Mönks.

.

maandag 24 mei 2010

Hoe word ik de beste jongensdocent? (4)



Les 4: Reflecteren gaat niet vanzelf

Kijken en doen gaat jongens makkelijk af. Jongens leren door te ondernemen en door te ontdekken; met vallen en met opstaan. Maar leren gaat nog sneller als je ook reflecteert. Wat ging er in goed en waarom ging dat goed? Wat dacht ik toen ik die fout maakte en wat had ik anders moeten doen? Voor meisjes is ‘iets voelen’ en er over willen praten veel vanzelfsprekender dan voor jongens. Bij jongens komt de reflectie vaak pas later, of niet. Met het gevaar dat ze hardleers lijken.
Help je de jongens niet met reflecteren, dan is de kans groot dat ze weinig leren van fouten, of van zaken die goed gingen. Voor jou als docent ligt hier wat jongens betreft dus een schone taak. Help ze nadenken over wat mis gaat en over wat goed gaat. Bouw momenten in waarop ze met elkaar oefeningen of handelingen bespreken, bijvoorbeeld met behulp van feedbackformulieren. Zoek voor jou en voor ‘je jongens’ een geschikte methode. Confronteer op momenten dat het nodig is en durf terug te komen op zaken die je niet bevielen.

Ons schoolsysteem speelt zich nog steeds voor een belangrijk deel af rond het thema 'hoeveel fouten heb je gemaakt'? Op school, maar ook in onze samenleving, gaat veel aandacht, tijd en energie zitten in 'wat fout gaat'. Maar je helpt de jongen juist door niet alleen op fouten te concentreren. Bouw ook positieve stimuli in, spreek de jongen aan op zijn kwaliteiten; geef complimentjes, goedkeuring, privileges of tastbare beloningen. Als je er alert bent op bent dat je ‘negatieve’ feedback afwisselt met benadrukken en bespreken van goed gedrag dan zou je zomaar snel effect kunnen zien.

Volgende week les 5: Een jongen moet gezien worden

Een lessenserie van John, Elsbeth en Henno

.

woensdag 19 mei 2010

Het belang van goed ruzie maken

Een puber heeft 2 wezenlijke behoeftes: zich veilig weten en zijn eigen keuzes maken. De spanning tussen deze 2 behoeftes zorgt voor meningsverschillen en conflicten. Niets mis mee…een goed moment om ze aan te gaan, en er (beide) van te leren.Hoe kan je nu het beste omgaan met conflicten? Bedenk dat jij als volwassene als eerste aan zet bent. Er zijn vervolgens geen wondermiddelen, maar de volgende strategie geeft de meeste kansen:
  1. Geef de jongere de gelegenheid om zijn gevoelens en perspectief te uiten. Onderbreek het verhaal niet, moedig hem aan in de ik-vorm te spreken. Blijf luisteren, ook al ben je het er niet mee eens
  2. Check of je alles goed begrepen hebt door een samenvatting te geven
  3. Leg jouw gevoelens en perspectief uit
  4. Trek dan de conclusie ‘we hebben een verschil van mening over…’
  5. Brainstorm samen over een oplossingen, laat de jongere als eerste komen
  6. Zijn er geen overeenkomsten dan is het probleem op dat moment niet oplosbaar (maak afspraak voor later), zijn er wel overeenkomsten maak dan een plannetje waarin je duidelijk afspreekt wat je van elkaar verwacht
  7. Spreek een later tijdstip af, hoe kort ook, om samen na te gaan of het heeft gewerkt


Dit en andere wetenswaardigheden waar je als opvoeder veel plezier van kan hebben in het boek Opvoedingscanon. Je kan ook een test doen hoe het staat met je kennis over ontwikkeling van kinderen en opvoeden. Wel veel vragen over baby’s en peuters… maar ook wat doordenkers over pubers.

.

woensdag 12 mei 2010

Theater als middel

'Er komt wat op je af als je leerling bent'. Hieronder een prachtige manier hoe je de leerlingen kan helpen zich door de jungle, die school heet, te bewegen. En als je het dan ook nog zó kan uitbeelden als René Koenegras dan zitten de leerlingen op het puntje van hun stoel. Kijkend naar en spelend in hun eigen leven. Met overal mogelijkheden om het eens anders aan te pakken.

.

maandag 10 mei 2010

Hoe word ik de beste jongensdocent? (3)



Les 3: Ze zijn levendig en niet alleen maar druk

Jongens zijn levendig. Bewegelijk. Energiek. Ze hebben, meer dan meisjes, beweging nodig om zich te ontwikkelen. Ze moeten iets met dat lijf van ze. Wist je dat het biologisch gezien onmogelijk is voor een jongen van 13 om twee uur stil te zitten?

Als je de levendigheid negatief labelt in ‘druk zijn’ en je dit gedrag continu alleen maar probeert in te dammen, kan de positieve energie die ze hebben voor jongens omslaan in het tegenovergestelde: een uitgebluste houding. In afhaken, afwezigheid. In de les is het dus voor jou als docent een behoorlijke klus om te balanceren tussen een te levendige of chaotische groep en een stel ongeconcentreerde lamlendelingen.

Wellicht kan het je helpen om je te realiseren dat de vitaliteit van de jongen nodig is en helpt het om hier met respect naar te kijken. Maar doe dit niet zonder respect voor je eigen grenzen. Grenzen aangeven blijft hier belangrijk. Misschien vaker en langer dan je lief is. Maar wederzijds respect moet je een heel eind brengen. En hier en daar wat chaos in de les, kan wellicht ook tot hele mooie resultaten leiden.

Volgende week les 4: Reflecteren gaat niet vanzelf

Een lessenserie van John, Elsbeth en Henno

.

maandag 3 mei 2010

Hoe word ik de beste jongensdocent? (2)



Les 2: Grenzen opzoeken is gezond. Grenzen geven een noodzaak

Je zou maar een klas hebben vol volgzame leerlingen. Nooit een grote mond, geen onverwacht gedrag. Muziek in je oren, of dodelijk saai? In ieder geval niet realistisch. Pubers, en vooral jongens, hebben het nodig om grenzen te zoeken. Dat is één van hun manieren van leren en verder te komen. Je neerleggen bij grenzen zou stilstand betekenen.

Krijg je een brutale opmerking naar je hoofd, bedenk dan dat dit een poging is tot groter groeien. Het zegt niets over jou als docent, maar het zegt iets over de jongen die zoekende is. Een zoektocht naar grenzen, waarmee jij hem kunt helpen. De grote mond vraagt dus om een correctie, een grens. Die je daarna, wellicht met een glimlach in gedachte, ferm en duidelijk kunt geven.

Volgende week les 3: Ze zijn levendig en niet alleen maar druk

Een lessenserie van John, Elsbeth en Henno

.

maandag 26 april 2010

Hoe word ik de beste jongensdocent? (1)



Vraag aan een willekeurige honderd docenten hun meest lastige leerling in hun hoofd te nemen. Onze ervaring leert dat dan minstens 95 van de docenten aan een jongen denkt. Jongens en het onderwijs. Het lijkt tegenwoordig een steeds lastigere combinatie. Waar het aan ligt? Zijn de jongens moeilijker geworden? Kunnen we moeilijker met ze omgaan? In dit artikel geven we géén analyse van het hoe en waarom van jongensgedrag. Dat jongens blijkbaar vaker als lastig worden ervaren is een feit. In dit artikel gaan we op zoek naar hoe we terug kunnen keren naar lol hebben in jongensgedrag. Hoe kun jij als docent weer genieten van de ettertjes uit je klas? Hoe zorg je ervoor dat je glimlacht om hun onbeholpen gedrag en onhandigheden. Hoe word jij de beste jongensdocent?


Les 1: Een jongen wordt nooit een meisje
Meisjes hebben een paar eigenschappen die in ons schoolsysteem behoorlijk handig zijn. Ze kunnen relatief goed stil zitten. Ze kunnen al op redelijk jonge leeftijd reflecteren op hun eigen gedrag en ze zijn verbaal handig. Dat komt ons als docenten best goed uit. Jongens daarentegen zijn op deze drie vlakken net iets onhandiger. Daar kunnen ze niets aan doen. Dat heeft de natuur zo geregeld. En dat is voor hun zelf net zo lastig als voor de docent die met ze moet werken. Je zou bijvoorbeeld maar langer dan een half uur moeten stilzitten terwijl er net een testosteronboost door je lijf jaagt. Ga d’r maar aan staan.
Accepteren dat de jongens in de klas zich dus anders gedragen dan de meisjes is een start van een betere jongensdocent zijn. Laten we van de jongens geen meisjes proberen te maken. Dat scheelt een heleboel strijd en evenzoveel energie.

(Volgende week les 2: Grenzen opzoeken is gezond. Grenzen geven een noodzaak

Een lessenserie van: John, Elsbeth en Henno

.

woensdag 21 april 2010

500 comazuipers in ziekenhuis

.

vrijdag 16 april 2010

Straatcultuur

Jongeren, die in de (pré)puberteit voornamelijk opgroeien en socialiseren op straat, hebben een stuk minder kans om succesvol te participeren in onze mainstream maatschappij. Ze leren van alles op straat, maar dat zijn veelal geen zaken waar je later een baan mee krijgt of waarmee je straks een winstgevende (legale) zaak opzet. Docenten kunnen het verschil maken en hen in deze periode weer terugbrengen of terugverleiden, de burgercultuur in.
We hebben nogal snel de neiging om straatcultuur te dichten aan een bepaalde cultuur: ‘het komt door de Marokkaanse cultuur, daar leven ze vrijwel altijd op straat’. Naast dat dit niet waar blijkt, brengt het ook weinig oplossingen. Om de eerste stap te zetten naar een aanpak is het belangrijk om gedrag goed te duiden. Onderstaande dia’s kunnen jullie helpen. Bespreek op de volgende leerling-bespreking eens die leerling waarvan je denkt dat de straat weleens meer invloed op hem/haar heeft dan de school.

.

vrijdag 9 april 2010

Week van autisme (2)

Even in de huid kruipen van een autistische jongen? David Barth (11 jaar oud) was eergister bij Pauw & Witteman om uit te leggen wat het betekent om het syndroom van Asperger (een vorm van autisme) te hebben.

Beter dan op tv lukt het hem om dit beeld te schetsen, samen met z’n moeder, al tekenend in het (strip)boek ‘Wat is er toch met Kobus?’ van uitgeverij FortMedia. Het is een prachtig vormgegeven boek, je leest het in een uur uit en heeft zeer humoristische sketches. Als je ze herkent, weet je ook veel beter wat wel en niet te doen als er morgen weer een leerling met Asperger of autistische trekken voor je staat. Een fragment uit het boek:

.

donderdag 8 april 2010

Week van autisme (1)

“Het lijkt wel of er steeds meer PDD-Nossers en Aspergers komen”. Waarschijnlijk is het zo dat steeds meer jongeren gediagnosticeerd worden als zijnde ‘autistisch’ en waren ze er altijd al…en zaten ze gewoon bij je in de klas. Of zal het toch een evolutionair voordeel hebben om iets autistisch te zijn in deze snelle maatschappij?

REC Oost-Nederland ontwikkelde de volgende poster in het omgaan met leerlingen die, in onze ogen, soms wat vreemd contact maken.
De autismeposter voor docenten is te bestellen voor €3,-. Je kan er ook een poster bestellen van de sterke kanten van autisme zelf.

.

donderdag 1 april 2010

Blijf er niet mee zitten

Gelukkig reageerden de meeste bezoekers van ons blog met ‘ik voel me steeds uitgedaagd’ op de vraag wat knaplastige leerlingen met jou doen. Maar daar vlak achteraan komt ‘ik twijfel aan mijn eigen functioneren’(24%) en ‘ik verlies het plezier in lesgeven’ (22%). Dat zijn hele eerlijke antwoorden, leerlingen zitten soms echt ‘op je huid’. Het belangrijkste advies dat we je kunnen geven is: ‘blijf er niet mee zitten’. Deze lastige leerlingen maken duidelijk dat het nodig is om in het onderwijs de switch te maken van solospelers naar teamplayers. We kunnen en hoeven het niet alleen. Dus ‘kom uit de kast’ en vraag vandaag nog 2 of 3 collega’s om je te helpen met die lastige leerling of die lastige klas. Vraag ze om jou een half uur te helpen dmv de onderstaande methode. Deze methode heeft z’n maximale effect als je je strak aan de 4 stappen houdt en ‘m in de juiste volgorde afloopt.
Hoe vaker je hem doet, hoe sneller en effectiever deze methode wordt. Gewoon blijven oefenen en aanscherpen…

.

dinsdag 30 maart 2010

Les 1. Ken uw kinderen


.

vrijdag 26 maart 2010

Nèt anders (4)

Leerlingen indelen in allerlei categorieën en classificaties wekt nogal eens de reactie op 'dan kan ik er ook niets aan doen'. Jan Hooiveld geeft een aantal handvatten om juist wél te handelen. Hieronder zijn laatste placemat in de serie van 4.

.

vrijdag 19 maart 2010

Lastige klas

Elk jaar is er zo’n klas waar het maar niet lijkt te lukken. Je wordt al chagrijnig als je aan de klas denkt, je ziet ze liever komen dan gaan en, grote kans, dat ze je laten twijfelen over je eigen kunnen als docent. De klas is al vaak besproken tijdens de rapportvergadering ..ook collega’s krijgen er geen grip op. Dit stelt je dan in ieder geval gerust: ‘ik ben niet de enige’…..
Tijd om achter de oren te krabben. Deze situatie is voor docenten noch leerlingen goed. Bedenk dat die leerlingen het hele jaar dag-in-dag-uit in zo’n ‘rotklas’ zitten. Er zijn mogelijkheden die werken: geen klas is sterker dan een team.Meer info over deze wetmatigheden in de aanpak.
De aanpak betekent dat je met het hele docententeam van deze klas aan de slag gaat, geen docent uitgezonderd:
STAP 1: een zeer gestructureerde bijeenkomst met alle docenten waarin je een analyse maakt, mogelijke oplossingen op tafel legt en vervolgens een strategie uitstippelt.
STAP 2: gesprek met de klas waar je de aanpak neerlegt, de leerlingen hun aandeel in de verbetering aangeven, en de klas een beloning bedenkt die gegeven wordt op het moment dat de klas zich positief keert.
STAP 3: elke docent waarbij het nog niet loopt zoals hij/zij wenst pleegt met 2 of 3 docenten van dezelfde klas een (korte) intervisie.
STAP 4: een docentenbijeenkomst na 2 weken waarbij je evalueert en bijstelt.
STAP 5: een docentenbijeenkomst na 6 weken waarbij je bespreekt wat deze aanpak betekent voor de school en de volgende keer dat zoiets gebeurt.
STAP 6: de beloning voor de klas.

Meer info over de aanpak: Dolf Hautvast

.

donderdag 4 maart 2010

De vulkaan en de gifkikker

Je kan 2 soorten agressie onderscheiden.
1. Frustratieagressie
Een leerling gebruikt verbaal geweld als direct en veelal impulsief gevolg op een voor hem frustrerende gebeurtenis: hij wordt gepest, hij heeft net een onvoldoende gekregen of heeft thuis iets naars meegemaakt enz.

2. Instrumentele agressie
Een leerling gebruikt kwaadheid, schelden, pesten, dreiging of andere vormen van geweld opzettelijk, meestal om een bepaald doel of effect te bereiken. De leerling wil dan de macht overnemen of de leerkracht (of anderen) bewust bang maken, zodat hij gaat toegeven, bv: een hoger cijfer of dat hij er toch niet wordt verwijderd.

Hieronder een aantal filmpjes en opdrachten om dit te verhelderen. En om te onderzoeken welk gedrag effectief is bij welk type agressie. Bedenk bij het kijken naar de eerste 2 filmpjes dat de docent aan het begin het gesprek tussen de meiden onderling NIET hoort.


  • Op welk moment zou jij ingegrepen hebben en met welke reactie?
  • Op welk effect reken je bij de leerling?

Kijk nu naar onderstaand filmpje. Stop precies bij 1.01 seconden

  • Wat zou een de-escalerende reactie van de leerkracht kunnen zijn?



Bekijk nu het hele bovenstaande filmpje:

  • Hoe de-escaleert de leerkracht verder?
  • Wat zie je als effect op de leerlingen?

In de klas komt het nog al eens voor dat leerlingen aanvankelijk gefrustreerd zijn (over een onvoldoende bv). Als je dan begrip toont, en probeert te achterhalen wat de aanleiding is, is de kans groter de leerling ‘bekoelt’. Dit doe je vooral door goede vragen te stellen, dat de-escaleert. Je op- of aanmerkingen kunnen ook tot escalatie leiden: er komt nog meer agressie omhoog. Je gooit dan olie-op-het-vuur, omdat je bv de leerling te brutaal vindt. Sommige leerlingen proberen dan de macht over te nemen: ze worden opzettelijk verbaal agressief. Dan wordt het instrumentele agressie. Op school komt dat nog al eens voor bij leerkrachten met veel ordeproblemen.
Daarover gaat het volgende filmpje. Bekijk ‘m maar STOP na 26 seconden. Wat zou jij nu zeggen als reactie op de leerling? Wat zou het effect van de leerling kunnen zijn op jouw reactie?



Bekijk het filmpje nog een keer, nu helemaal. Wat zie je gebeuren als reactie op de leerkracht? Wie is ten slotte de baas? Hoe zie je dat?

Bekijk het volgende filmpje. Let goed op de reactie van de leerkracht na de eerste halve minuut.

  • Vergelijk deze reactie van de leerkracht met die van jou na filmpje 1.
  • Wat zijn overeenkomsten en verschillen?
  • Wat leer je over je eigen gedragsgewoontes bij agressief gedrag van leerlingen?



Met frustratieagressie ga je dus anders om dan met instrumentele agressie.

met dank aan Johan Hamstra

.